Want to create interactive content? It’s easy in Genially!

Get started free

Geneesmiddelinteracties - NL - NUR

PReP TEAM (PReP TEAM

Created on August 28, 2023

Start designing with a free template

Discover more than 1500 professional designs like these:

Higher Education Presentation

Psychedelic Presentation

Harmony Higher Education Thesis

Vaporwave presentation

Geniaflix Presentation

Vintage Mosaic Presentation

Modern Zen Presentation

Transcript

Geneesmiddelinteracties

Start

PReP-TEAM Know Your Team - Know Your Treatment
Funded by Erasmus+ under KA220-HED-F86A82CB

Learning opbrengsten e-learning

Geneesmiddelinteracties kunnen ernstige gevolgen hebben, zoals bijwerkingen, therapiefalen of zelfs ziekenhuisopnames. Ineffectieve en inefficiënte communicatie tussen zorgverleners kunnen een rol spelen bij het missen van deze interacties. In deze e-learning doe je kennis op over interacties zodat je effectief over het onderwerp kunt communiceren tijdens de werkgroep. Je leert over:
  1. Wat geneesmiddel-geneesmiddelinteracties zijn en waarom ze belangrijk zijn.
  2. Wat farmacokinetische en farmacodynamische interacties zijn en hoe deze ontstaan.
  3. Klinisch relevante interacties herkennen en managen.

Hoofdstukken

Wat zijn geneesmiddelinteracties?

Farmacokinetische interacties

Farmacodynamische interacties

Spreekuur met onze patiënt

Risicofactoren en aandachtspunten voor praktijk

WAT ZIJN GENEESMIDDEL INTERACTIES?

Wat zijn geneesmiddelinteracties?

Geneesmiddelinteracties treden op wanneer de werking of het effect van een geneesmiddel wordt veranderd door een ander geneesmiddel, voeding, of andere externe factoren. Deze interacties kunnen leiden tot een verhoogd risico op bijwerkingen, een verminderde effectiviteit van de behandeling of zelfs toxiciteit.

Geneesmiddelinteracties in polyfarmacie

Welke van de onderstaande medicijnen kunnen volgens jou tot een geneesmiddelinteractie leiden in combinatie met een ander medicijn in deze lijst?
  • Tacrolimus
  • Simvastatine
  • Fluconazol
  • Metoprolol
  • Naproxen
  • Citalopram
  • Paracetamol
  • Correct! Tacrolimus is een CYP3A4 substraat, geïnhibeerd door fluconazol
  • Correct! Simvastatine is een CYP3A4 substraat, geïnhibeerd door fluconazol
  • Correct! Fluconazol inhibeert CYP3A4
  • Metoprolol is een CYP2D6 substraat, maar zonder interacties met deze medicijnen
  • Correct! SSRI's kunnen het bloedingsrisico door NSAIDs verhogen
  • Correct! Citalopram is een CYP3A4 substraat, geïnhibeerd door fluconazol
  • Paracetamol is één van de weinige medicijnen zonder significant interacties!

02

Farmacokinetische reacties

Farmacokinetiek

Farmacokinetiek is wat het lichaam doet met geneesmiddelen. Dit betreft absorptie, distributie, metabolisme en excretie (ADME) van een geneesmiddel, plus de biologische beschikbaarheid. Deze processen bepalen de concentratie, duur en intensiteit van de werking van een geneesmiddel.

Farmacokinetiek

Geneesmiddelen die vetoplosbaar zijn, worden grotendeels opgeslagen in vetweefsel, wat verdeling door het lichaam beïnvloedt.

Sommige geneesmiddelen worden via de huid uitgescheiden (bijv. zweet), terwijl andere door de huid worden opgenomen (bijvoorbeeld pleisters of crèmes).

Het hart speelt een cruciale rol in de verdeling van geneesmiddelen door het lichaam via de bloedcirculatie.

Vluchtige stoffen en gasvormige genees-middelen, zoals anesthetica, worden via de longen uitgescheiden.

De maag is betrokken bij de opname van geneesmiddelen, vooral voor geneesmiddelen die goed oplossen in een zure omgeving.

De lever is het belangrijkste orgaan voor het metabolisme van geneesmiddelen door middel van leverenzymen. Daarnaast kan de lever metabolieten via de gal uitscheiden.

De nieren filteren geneesmiddelen en hun metabolieten uit het bloed en verwijderen deze via de urine.

De dunne darm is de belangrijkste plaats voor absorptie vanwege het grote oppervlak en de lange verblijftijd van het geneesmiddel.

Klik op de organen om te zien hoe ze betrokken zijn bij ADME

Klik op de bold woorden!

Absorptie

Geneesmiddelen kunnen elkaars opname verstoren. Bijvoorbeeld erlotinib, wat normaal (1) goed oplosbaar is bij laag pH. Hierbij wordt het ook (2) goed opgenomen in het bloed, zo lang de pH onder de 5 blijft. (3) Omeprazol verhoogt de (4) pH en vermindert hierdoor de opname van erlotinib. De AUC vermindert hierdoor met zo'n 46%.

Distributie

Geneesmiddelen kunnen binden aan dezelfde eiwitten in het bloed. Als Medicijn A is gebonden, heeft Medicijn B geen kans meer om te binden. Hierdoor is er meer ongebonden (vrije) Medicijn B dat in het bloed rondcirculeert. Wat is dan het effect voor Medicijn B?

Er wordt minder Medicijn B opgenomen

Medicijn B is minder effectief

Er wordt meer Medicijn B afgebroken

Medicijn B is effectiever

Medicijn B kan in de hersenen zijn effect teweegbrengen door daar te binden aan de gewenste eiwitten. Het deel dat naar de lever gaat wordt juist afgebroken.
Brein
Lever
Bloed
De totale hoeveelheid Medicijn B in het lichaam lijkt te zijn verminderd aangezien er meer wordt afgebroken. De vrije fractie van Medicijn B is echter verhoogd, wat beter de target locatie kan bereiken!
Wanneer Medicijn B verdrongen wordt door Medicijn A van het eiwit, kan er meer van Medicijn B overgaan naar de hersenen en de lever. Het past nu immers beter tussen de bloedvat cellen als het niet is gebonden aan een groot eiwit.
Omdat Medicijn B is gebonden aan een groot eiwit, kan het niet door de kleine openingen van de bloedvatwanden bewegen.
Klik op de bold woorden!

Metabolisme

Geneesmiddelen worden voor een groot deel in de lever afgebroken (gemetaboliseerd). Eiwitten, zogenaamde CYP-enzymen spelen hierin een belangrijke rol. Simvastatine, een bekende cholesterolverlager, wordt bijvoorbeeld omgezet door het enzym CYP3A4. Voeg je een middel toe dat deze werking (1) vermindert, dan zal simvastatine (2) minder afgebroken worden. Als er minder afgebroken wordt, blijft er meer van aanwezig in het bloed en wordt de concentratie (te) hoog. Voeg je een zogenaamde (3) inducer toe, wat de werking van CYP3A4 versterkt, dan zal er (4) meer afgebroken worden. Hierdoor kan de dosering (te) laag worden en wordt het effect van simvastatine niet optimaal bereikt.
CYP3A4

Excretie

Middelen die voornamelijk via de nieren worden uitgescheiden, zijn afhankelijk van de nierfunctie. Bij een verminderde nierfunctie, zullen deze middelen dus langer circuleren in het bloed. Lithium is een medicijn dat wordt gebruikt voor psychoses. Wat gebeurt er als je dit middel combineert met spironolacton, een middel tegen hoge bloeddruk, ook wel een plastablet?

Lithium wordt minder uitgescheiden

Ltihium wordt meer uitgescheiden bij het plassen

Lithium concentratie stijgt direct bij starten plastablet

Lithium concentratie stijgt een week na starten plastablet

Klik op de bold woorden!

Excretie

Spironolacton is een plastablet waardoor je ook meer (1) natrium (zouten) gaat uitplassen. Om hiervoor te compenseren, gaan de nieren automatisch meer natrium terug opnemen. Dit (2) compensatiemechanisme treedt ongeveer 3-10 dagen in nadat de natrium-concentratie is afgenomen. Lithium wordt door de nieren op dezelfde manier (3) opgenomen als natrium. Lithium en natrium hebben namelijk een vergelijkbare structuur. Dit compensatie- mechanisme zorgt er uiteindelijk dus voor dat ermeer lithium wordt opgenomen.
Na+
Li+

03

Farmacodynamische interacties

Farmacodynamiek

Farmacodynamiek gaat over wat een geneesmiddel in het lichaam doet. Het beschrijft hoe een medicijn werkt door te binden aan bijvoorbeeld receptoren of eiwitten in het lichaam. Daardoor ontstaat het gewenste effect van het medicijn. Farmacodynamische interacties betekenen dat twee of meer geneesmiddelen elkaars werking beïnvloeden. Dit kan ervoor zorgen dat een medicijn sterker of juist minder goed werkt. Soms kunnen bijwerkingen ook toenemen of afnemen.

Farmacodynamisch interacties kunnen verschillende gevolgen hebben. Kijk hieronder op wat voor manieren deze interacties effect kunnen hebben.

Additief

Synergetisch

Antagonistisch

Voorbeeld farmacodynamische interactie

Veelgebruikte medicijnen zijn de pijnstiller ibuprofen en de bloeddrukverlager enalapril. Enalapril zorgt ervoor dat je bloedvaten weider gaan staan (vasodilatatie). Ibuprofen zorgt er juist voor dat de vaten gaan vernauwen (vasoconstrictie). Hoe beïnvloedt dit de nieren? Klik op de juiste buttons per onderdeel.

Vasoconstrictie door ibuprofen

Vasoconstrictie door ibuprofen

Vasodilatatie door enalapril

Vasodilatatie door enalapril

De nierfunctie daalt

De nierfunctie stijgt

04

Spreekuur met onze patiënt

Complexe casus met Mvr. Grun

Mevrouw Grun is 78 jaar oud en brengt graag tijd door met haar kleinkinderen. De laatste maanden heeft ze haar dagelijkse wandelingen moeten beperken vanwege pijnlijke knieën, veroorzaakt door ernstige osteoartritis. Ze wordt nu opgenomen voor een electieve knieoperatie. Ze heeft meerdere chronische aandoeningen, waaronder hypertensie, diabetes type 2, atriumfibrilleren en osteoporose. Haar medicatieregime is complex, en ze vindt het soms lastig om alle voorschriften te begrijpen. Ze klaagt de laatste weken over vermoeidheid, blauwe plekken en lichte misselijkheid. Bij het preoperatieve gesprek krijgt ze te horen dat sommige medicatie tijdelijk moet worden gepauzeerd, wat ze moeilijk begrijpt. 'Waarom moet ik stoppen met bepaalde medicijnen als ik me al zo moe voel?'
De medicijnen van Mvr. Grun kunnen interacties met elkaar hebben. Bedenk voor jezelf welke eventueel een interactie met elkaar kunnen aangaan.

Grun, L.17-3-1947

Medicatie: Metoprolol 50 mg: 1d1t Digoxine 0.125 mg: 1d1t Warfarine 5 mg: 1d1t Omeprazol 20 mg: 1d1t Metformine 500 mg: 2d1t Calcium en vitamine D-supplementen Ibuprofen 400 mg: z.n. 3d1t Paracetamol 1000 mg: 3d1t
Opnamegegevens: Klachten bij opname: Vermoeidheid, blauwe plekken op de armen en benen. Lichte misselijkheid. Labwaarden:
  • INR: 4.5 (2.0-3.5)
  • Cr.-klaring: 50 ml/min (>60 ml/min)
  • Digoxinespiegel: 1.8 ng/mL (0.5-2.0 ng/ml)
  • Glucose: 6.8 mmol/l (4.5-8 mmol/l)
Deze combinaties hebben een wisselwerking. Wat gebeurt er bij deze combinaties?

Warfarine + Ibuprofen

Medicatie: Metoprolol Digoxine Warfarine Omeprazol Metformine Calcium/vitamine D Ibuprofen Paracetamol
Warfarine en ibuprofen verhogen het bloedingsrisico door synergetische effecten.

Warfarine + Omeprazol

Omeprazol remt CYP2C19, wat warfarine metabolisme vermindert. Hiermee verhoogt de INR en het bloedingsrisico.

Digoxine + Metoprolol

Beide middelen vertragen de hartslag, wat kan leiden tot bradycardie.

Calcium + Digoxine

Hypercalciëmie door calcium kan het risico op digoxine-toxiciteit verhogen.

05

Risicofactoren en aandachtspunten voor praktijk

Risicogroepen voor geneesmiddelinteracties

Geneesmiddelinteracties komen vaker voor bij bepaalde groepen patiënten vanwege hun fysiologische kenmerken, medicatiegebruik of onderliggende aandoeningen. Het herkennen van deze risicogroepen is van belangrijk voor het verbeteren van patiëntveiligheid en het optimaliseren van behandelplannen. Ouderen vormen veelal zo'n risicogroep.

Gebruik maken van Elektronisch voorschrijfsysteem (EVS) of Farmacotherapeutisch Kompas (FK)

Het EVS is een digitaal systeem, geïntegreerd in het ziekenhuisinformatiesysteem dat onveilige situaties signaleert tijdens het voorschrijven van medicatie. Dit zijn bijvoorbeeld dubbelmedicaties, contra-indicaties, interacties en overgevoeligheidsreacties.  Als er een interactie wordt gedetecteerd, verschijnt er een melding met een risicobeoordeling en, indien relevant, aanbevelingen voor een alternatieve keuze.

Het FK is een openbare database die uitgebreide informatie biedt over geneesmiddelen, waaronder interacties. FK biedt uitleg over het mechanisme achter de interactie, de klinische relevantie en mogelijke maatregelen (zoals dosisaanpassing of monitoring).

SAMENGEVAT

  • Identificeer geneesmiddelen met een hoge interactiekans bij het opstellen van een behandelplan, ofwel farmacokinetisch ofwel farmacodynamisch.
  • Overweeg de impact van geneesmiddelinteracties op klinische uitkomsten door gebruik te maken van EVS en pas het regime zo nodig aan.
  • Informeer patiënten duidelijk over mogelijke interacties en wat ze moeten doen bij klachten.
  • Overweeg het aanpassen van medicatie bij patiënten met veranderde fysiologische omstandigheden, zoals acute ziekte, dehydratie, of koorts, omdat deze factoren de werking en interacties van geneesmiddelen kunnen beïnvloeden.

Je hebt deze e-learning afgerond!

We hebben verschillende aspecten van antistolling voor de verschillende beroepen doorgenomen. We zullen jullie percepties van rollen en verantwoordelijkheden in de farmacotherapie bespreken tijdens de werkgroep en werken aan een casussimulatie in interprofessionele groepen. Doe hiervoor het volgende: 1) Denk na over deze stellingen en neem je antwoorden mee naar de werkgroep.
  • Hoe vertegenwoordig je jouw beroepsgroep in de gezondheidszorg bij antistollingstherapie?
  • Wat zijn je verantwoordelijkheden?
  • Hoe denk je dat andere beroepen in de gezondheidszorg betrokken zijn bij dit proces?
  • Welke vaardigheden/competenties moet je bezitten om goed te kunnen samenwerken?
2) Download de app Team Up! Vind Team Up! in de Google Play Store/App store of scan de QR codes hieronder.

Google Play Store

App Store

Bij nierproblemen kan het lichaam medicijnen minder goed uitscheiden via de urine. Dit geldt bijvoorbeeld voor medicijnen zoals lithium, metformine en sommige antibiotica. Hierdoor kunnen deze medicijnen zich ophopen in het lichaam en giftig worden. De lever zorgt voor de afbraak van veel medicijnen, zoals opioïden, benzodiazepines en paracetamol. Als de lever minder goed werkt, blijven deze medicijnen langer in het bloed. Dit vergroot de kans op bijwerkingen.

Patiënten die veel verschillende medicijnen gebruiken, hebben een grotere kans dat deze medicijnen elkaar beïnvloeden. Dit heb je gezien op de pagina's over farmacokinetische en farmacodynamische interacties. Daarnaast is therapietrouw belangrijk. Bij veel verschillende medicijnen kan dit lastig zijn. Patiënten kunnen doses vergeten of medicijnen op andere momenten innemen dan afgesproken. Dit kan ervoor zorgen dat medicijnen onbedoeld met elkaar gaan samenwerken of elkaar juist tegenwerken.

Ouderen zijn vaak gevoeliger voor de effecten van geneesmiddelen. Dit betekent dat bijwerkingen zoals sterke bloeddruk dalingen door bloeddrukverlagers of sedatie door opioïden sterker kunnen optreden, zelfs bij normale doseringen. Dit verhoogt het risico op vallen, ziekenhuisopname en andere complicaties.